⚽ De sporten · Los deportes
Leer woorden om over sport en beweging te praten. 18 woorden.
Lidwoord: blauw = mannelijk (el), roze = vrouwelijk (la), paars = beide (el/la).
| Spaans | Vertaling | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
| el fútbol | voetbal | Los niños juegan al fútbol en el parque.De kinderen voetballen in het park. |
| el baloncesto | basketbal | Mi hermano juega al baloncesto los sábados.Mijn broer basketbalt op zaterdag. |
| el tenis | tennis | ¿Sabes jugar al tenis?Kun je tennissen? |
| la natación | zwemmen | La natación es un deporte muy completo.Zwemmen is een heel complete sport. |
| el equipo | team | Nuestro equipo ganó el partido.Ons team won de wedstrijd. |
| el partido | partij | Ese partido ha perdido apoyo en las últimas encuestas.Die partij heeft steun verloren in de laatste peilingen. |
| entrenar | trainen | Entreno tres veces por semana.Ik train drie keer per week. |
| el campo | veld | El campo de fútbol está cerca de mi casa.Het voetbalveld ligt dicht bij mijn huis. |
| la piscina | zwembad | En verano vamos a la piscina todos los días.In de zomer gaan we elke dag naar het zwembad. |
| el gimnasio | sportschool | Voy al gimnasio después del trabajo.Ik ga na het werk naar de sportschool. |
| correr | rennen | Corro por el parque cada mañana.Ik ren elke ochtend door het park. |
| el jugador | speler | Ese jugador marca muchos goles.Die speler scoort veel doelpunten. |
| el árbitro | scheidsrechter | El árbitro pitó una falta.De scheidsrechter floot een overtreding. |
| el gol | doelpunt | Marcó el gol en el último minuto.Hij scoorde het doelpunt in de laatste minuut. |
| la pelota | bal | La pelota está debajo de la mesa.De bal ligt onder de tafel. |
| rápido | snel | Es el corredor más rápido del equipo.Hij is de snelste loper van het team. |
| fuerte | sterk | El jugador es muy fuerte.De speler is heel sterk. |
| el entrenador | coach | El entrenador está contento con el equipo.De coach is tevreden met het team. |
🎯 Oefen deze 18 woorden mét lidwoord in de app 🃏 Flashcards van dit thema
Meer thema's op dit niveau
✈️ Reizen19 woorden
Los viajes
Woorden die je nodig hebt op het vliegveld, in het hotel en onderweg.
🍷 In het restaurant20 woorden
En el restaurante
Leer bestellen, betalen en praten over eten in een restaurant.
🛍️ Winkelen20 woorden
De compras
Woorden om te winkelen, prijzen te bespreken en te betalen.
🏥 Gezondheid18 woorden
La salud
Praat over ziekte, symptomen en een bezoek aan de dokter.
🚌 Vervoer19 woorden
El transporte
Woorden om je te verplaatsen in de stad en daarbuiten.
💼 Werk20 woorden
El trabajo
Woorden over kantoor, sollicitaties en het dagelijkse werk.
← WerkAlle thema'sDe vrije tijd →
Wil je dit echt onder de knie krijgen?
Maak een gratis account: niveautest, leerpad op maat, oefeningen met directe feedback, uitspraak en een echte docente die meekijkt.