Spaanse werkwoorden vervoegen — alle tijden

Vervoegingstabellen van de belangrijkste Spaanse werkwoorden in alle tijden (presente, indefinido, imperfecto, futuro, subjuntivo, imperativo) met vertaling en voorbeeldzin.

14 tijden

Tegenwoordige tijd · PresenteVerleden tijd (indefinido) · Pretérito indefinidoOnvoltooid verleden (imperfecto) · Pretérito imperfectoVoltooid tegenwoordige tijd · Pretérito perfectoVoltooid verleden tijd · PluscuamperfectoToekomende tijd · Futuro simpleVoltooid toekomende tijd · Futuro perfectoVoorwaardelijke wijs · Condicional simpleVoltooid voorwaardelijk · Condicional compuestoSubjuntivo presente · Presente de subjuntivoSubjuntivo perfecto · Pretérito perfecto de subjuntivoSubjuntivo imperfecto · Imperfecto de subjuntivoSubjuntivo pluscuamperfecto · Pluscuamperfecto de subjuntivoGebiedende wijs · Imperativo

A1 · Beginner

ser
zijn
estar
zijn
tener
hebben
hacer
doen/maken
ir
gaan
decir
zeggen
poder
kunnen
dar
geven
saber
weten
querer
willen/houden van
poner
zetten/leggen
ver
zien
hablar
spreken
llegar
aankomen
pensar
denken
deber
moeten/verschuldigd zijn
llamar
bellen/noemen
venir
komen
salir
uitgaan/vertrekken
pedir
vragen om/bestellen
encontrar
vinden
buscar
zoeken
volver
terugkeren/terugkomen
seguir
volgen/doorgaan
comer
eten
dejar
laten/achterlaten
vivir
leven/wonen
trabajar
werken
estudiar
studeren
aprender
leren
escribir
schrijven
abrir
openen
comprar
kopen
vender
verkopen
beber
drinken
necesitar
nodig hebben
llamarse
heten
levantarse
opstaan
ducharse
douchen
lavarse
zich wassen
esperar
wachten/hopen
ayudar
helpen
mirar
kijken
escuchar
luisteren
cantar
zingen
bailar
dansen
viajar
reizen
entrar
binnenkomen
tomar
nemen/drinken
usar
gebruiken
ganar
winnen/verdienen
correr
rennen
subir
omhoog gaan/stijgen
bajar
naar beneden gaan/dalen
recibir
ontvangen
conocer
kennen
empezar
beginnen
comenzar
beginnen
entender
begrijpen
perder
verliezen
cerrar
sluiten
dormir
slapen
morir
sterven
contar
tellen/vertellen
recordar
herinneren
costar
kosten
llover
regenen
jugar
spelen
servir
dienen/opdienen
repetir
herhalen
sacar
halen/uithalen
pagar
betalen
practicar
oefenen
explicar
uitleggen
leer
lezen
creer
geloven/denken
coger
pakken/nemen
haber
hebben/er zijn

A2 · Basis

traer
meebrengen
conducir
rijden/besturen
oír
horen
andar
lopen/wandelen
caer
vallen
reír
lachen
sonreír
glimlachen
oler
ruiken
mantener
onderhouden/behouden
obtener
verkrijgen
despertarse
wakker worden
sentarse
gaan zitten
sentir
voelen
preferir
verkiezen/liever hebben
mentir
liegen
divertirse
plezier hebben
encender
aanzetten/aansteken
calentar
opwarmen
merendar
een vieruurtje eten
nevar
sneeuwen
mover
bewegen
almorzar
lunchen
acostarse
naar bed gaan
soñar
dromen
mostrar
tonen/laten zien
probar
proeven/proberen
sonar
klinken/rinkelen
volar
vliegen
doler
pijn doen
devolver
teruggeven
vestirse
zich aankleden
conseguir
verkrijgen/lukken
elegir
kiezen
medir
meten
tocar
aanraken/spelen
cruzar
oversteken
organizar
organiseren
utilizar
gebruiken
escoger
uitkiezen
proteger
beschermen
dirigir
leiden/besturen
incluir
insluiten/omvatten
destruir
vernietigen
continuar
doorgaan/voortzetten
enviar
sturen/verzenden
confiar
vertrouwen
esquiar
skiën
cubrir
bedekken
descubrir
ontdekken
romper
breken
decidir
beslissen
permitir
toestaan
ocurrir
gebeuren
existir
bestaan
temer
vrezen
prometer
beloven
responder
antwoorden
comprender
begrijpen
parecer
lijken
crecer
groeien
nacer
geboren worden
ofrecer
aanbieden
aparecer
verschijnen
desaparecer
verdwijnen

B1 · Gevorderd

huir
vluchten
construir
bouwen
producir
produceren
traducir
vertalen
deshacer
ongedaan maken
proponer
voorstellen
suponer
veronderstellen
contener
bevatten
freír
bakken/frituren
recomendar
aanbevelen
negar
ontkennen/weigeren
defender
verdedigen
resolver
oplossen
colgar
ophangen
rogar
smeken
morder
bijten
acordarse
zich herinneren
corregir
corrigeren
competir
concurreren/wedijveren
despedirse
afscheid nemen
impedir
verhinderen
perseguir
achtervolgen
adquirir
verwerven
exigir
eisen
distinguir
onderscheiden
vencer
verslaan/verlopen
convencer
overtuigen
poseer
bezitten
concluir
afsluiten/concluderen
influir
beïnvloeden
averiguar
achterhalen/uitzoeken
actuar
handelen/acteren
evaluar
beoordelen/evalueren
merecer
verdienen
pertenecer
toebehoren
agradecer
bedanken/dankbaar zijn
establecer
vestigen/vaststellen
soler
plegen, gewoonlijk doen

B2 · Vergevorderd

prever
voorzien
caber
passen
valer
waard zijn
convenir
schikken/passend zijn

C1 · Vaardig

satisfacer
voldoen aan/bevredigen

Wil je dit echt onder de knie krijgen?

Maak een gratis account: niveautest, leerpad op maat, oefeningen met directe feedback, uitspraak en een echte docente die meekijkt.

Gratis beginnen 📅 Boek een proefles bij Yohana op Preply