A1 · Beginner

De nabije toekomst: ir a + infinitief

Hoe je met 'ir a + infinitief' zegt wat je gaat doen, en welke tijdsaanduidingen daarbij horen.

De constructie ir a + infinitief

Net als in het Engels ('going to') gebruikt het Spaans het werkwoord ir (gaan) + a + een infinitief om te zeggen wat er binnenkort gaat gebeuren. Dit heet de futuro próximo (nabije toekomst) en wordt in de spreektaal veel vaker gebruikt dan de 'echte' toekomstige tijd.

onderwerp + ir (vervoegd) + a + infinitief

Voy a estudiar (ik ga studeren), Vamos a comer (we gaan eten).

Voorbeelden

Voy a llamar a mi madre.Ik ga mijn moeder bellen.
Vamos a viajar a España.We gaan naar Spanje reizen.
¿Qué vas a hacer esta noche?Wat ga je vanavond doen?

De vervoeging van ir

Ir is volledig onregelmatig. Alleen ir zelf verandert; het tweede werkwoord blijft altijd in de infinitief.

ir
yovoy
túvas
él/ella/ustedva
nosotros/asvamos
vosotros/asvais
ellos/ellas/ustedesvan

Voorbeelden

Ella va a estudiar medicina.Zij gaat geneeskunde studeren.
Vosotros vais a ganar el partido.Jullie gaan de wedstrijd winnen.

Tijdsaanduidingen voor de nabije toekomst

Deze uitdrukkingen combineer je vaak met ir a + infinitief:

  • mañana = morgen
  • pasado mañana = overmorgen
  • esta noche / esta tarde = vanavond / vanmiddag
  • este fin de semana = dit weekend
  • la semana que viene (ook: la próxima semana) = volgende week
  • el mes/año que viene = volgende maand/jaar

Voorbeelden

Mañana vamos a visitar el museo.Morgen gaan we het museum bezoeken.
La semana que viene voy a empezar un nuevo trabajo.Volgende week ga ik een nieuwe baan beginnen.
Este fin de semana vamos a descansar.Dit weekend gaan we uitrusten.

Ontkennende vorm

Om de nabije toekomst ontkennend te maken, zet je no vóór de vervoegde vorm van ir: no + ir + a + infinitief.

Voorbeelden

No voy a salir esta noche.Ik ga vanavond niet uit.
Ellos no van a venir a la boda.Zij gaan niet naar de bruiloft komen.

💡 Tips

💡
Het tweede werkwoord blijft ALTIJD in de infinitief, ongeacht het onderwerp: 'vamos a comer', niet 'vamos a comemos'.
💡
'Ir a + infinitief' wordt in de spreektaal vaker gebruikt dan de officiële toekomende tijd (futuro simple) — leer deze constructie dus goed!
💡
'No' komt altijd vóór 'voy/vas/va…', nooit ergens anders in de zin.

🎯 Oefen dit onderwerp met 10 interactieve oefeningen (10)

🔧 Werkwoorden: Tegenwoordige tijd

Bijhorende grammatica

De tegenwoordige tijd (regelmatig)
Hoe je regelmatige -ar, -er en -ir werkwoorden vervoegt in de tegenwoordige tijd.
Ser en estar
Spaans heeft twee werkwoorden voor 'zijn' — ser voor wat iets ís, estar voor waar iets is of hoe het zich voelt.
Tener, haber en hay
Tener voor bezit en leeftijd, hay voor 'er is/zijn', en haber als hulpwerkwoord.
Onregelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Onregelmatige yo-vormen, stamveranderende werkwoorden (e>ie, o>ue, e>i) en de volledig onregelmatige ser, ir en estar.

← Gustar en soortgelijke werkwoordenBasisvoorzetsels →

Wil je dit echt onder de knie krijgen?

Maak een gratis account: niveautest, leerpad op maat, oefeningen met directe feedback, uitspraak en een echte docente die meekijkt.

Gratis beginnen 📅 Boek een proefles bij Yohana op Preply