💞 Persoonlijke relaties · Las relaciones personales
Woordenschat over liefde, vriendschap en relaties. 18 woorden.
Lidwoord: blauw = mannelijk (el), roze = vrouwelijk (la), paars = beide (el/la).
| Spaans | Vertaling | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
| la pareja | partner, koppel | Mi pareja y yo llevamos cinco años juntos.Mijn partner en ik zijn al vijf jaar samen. |
| la amistad | vriendschap | Nuestra amistad ha durado desde la infancia.Onze vriendschap duurt al sinds onze kindertijd. |
| la confianza | vertrouwen | Es fundamental que haya confianza en una relación.Vertrouwen is essentieel in een relatie. |
| discutir | ruzie maken | Ayer discutimos por una tontería.Gisteren maakten we ruzie om een onnozelheid. |
| reconciliarse | zich verzoenen | Después de la pelea, se reconciliaron enseguida.Na de ruzie verzoenden ze zich meteen. |
| el celos | jaloezie | Sintió celos cuando vio a su ex con otra persona.Hij voelde jaloezie toen hij zijn ex met iemand anders zag. |
| el compromiso | verloving, verbintenis | Anunciaron su compromiso en la fiesta familiar.Ze kondigden hun verloving aan op het familiefeest. |
| la boda | bruiloft | La boda se celebrará en junio.De bruiloft wordt in juni gevierd. |
| el divorcio | scheiding | El divorcio fue muy difícil para toda la familia.De scheiding was erg moeilijk voor de hele familie. |
| llevarse bien | goed overweg kunnen met elkaar | Mis hermanos y yo nos llevamos muy bien.Mijn broers en ik kunnen het goed met elkaar vinden. |
| apoyar | steunen | Siempre te voy a apoyar, pase lo que pase.Ik zal je altijd steunen, wat er ook gebeurt. |
| echar de menos | missen | Te echo mucho de menos desde que te fuiste.Ik mis je erg sinds je weg bent. |
| enamorarse | verliefd worden | Se enamoraron nada más conocerse.Ze werden verliefd zodra ze elkaar leerden kennen. |
| la ruptura | breuk | La ruptura le costó superarla mucho tiempo.Het kostte haar veel tijd om over de breuk heen te komen. |
| el cariño | genegenheid | Le trata con mucho cariño.Hij behandelt hem met veel genegenheid. |
| fiel | trouw | Es una persona muy fiel a sus amigos.Hij is erg trouw aan zijn vrienden. |
| infiel | ontrouw | Descubrió que su pareja le había sido infiel.Ze ontdekte dat haar partner haar ontrouw was geweest. |
| convivir | samenwonen | Llevan dos años conviviendo juntos.Ze wonen al twee jaar samen. |
🎯 Oefen deze 18 woorden mét lidwoord in de app 🃏 Flashcards van dit thema
Meer thema's op dit niveau
📰 De media17 woorden
Los medios de comunicación
Woordenschat over kranten, tv en nieuws in het Spaans.
🌍 Het milieu18 woorden
El medio ambiente
Woorden over klimaat, natuur en duurzaamheid.
🎓 Het onderwijs18 woorden
La educación
Woorden over school, universiteit en studeren.
🏢 De werkwereld13 woorden
El mundo laboral
Woordenschat over werk, contracten en de arbeidsmarkt.
🏡 Wonen18 woorden
La vivienda
Woorden over huren, kopen en wonen.
🎉 Cultuur en tradities18 woorden
Cultura y tradiciones
Woordenschat over Spaanse feesten, gewoontes en tradities.
← Het milieuAlle thema'sHet onderwijs →
Wil je dit echt onder de knie krijgen?
Maak een gratis account: niveautest, leerpad op maat, oefeningen met directe feedback, uitspraak en een echte docente die meekijkt.